De naaktheid van kamperen
Geen make-up, geen schema, geen strak gestreken overhemd. Alleen wij, het ochtendlicht en de geur van koffie op een gammel gasbrandertje.
Er is iets aan kamperen dat je laag voor laag afpelt. Niet alleen kleding, maar ook de zorg om hoe je eruitziet, de drang om het allemaal onder controle te hebben. Hier, naast onze kleine kanariegele camperbus, valt dat langzaam van ons af.
De ochtend begint niet met een agenda of een telefoon die trilt, maar met het licht dat door de gordijnen van de bus valt en het zachte geluid van vogels. We schuiven het portier open, half wakker, in wat voor de spiegel thuis misschien niet zou ‘mogen’, maar hier gewoon klopt. De koffie pruttelt, het brood is een beetje scheef gesneden, en onze enige toeschouwers zijn de bomen en misschien een nieuwsgierige merel.
En eigenlijk komen we tot niets. De tas met knutselspullen, LEGO en aquarelverf blijft onaangeroerd in een hoek staan. We lezen wat, zetten zachtjes muziek op, kijken soms een serie op de iPad. In het meest actieve geval maken we een rondje op de fiets, lopen wat over een bospaadje of hangen op een terrasje. Het is genoeg. Meer dan genoeg.
Het eten past zich naadloos aan die eenvoud aan. ’s Morgens geen twee bammetjes met vlees en kaas, maar een uitgebreid ontbijt: een zorgvuldig gebakken uitsmijter, het eigeel precies zoals ik het wil, gemaakt door mijn lief. ’s Avonds een eenpansgerecht op het kleine fornuis — macaroni of nasi — altijd met zijn hand en aandacht bereid. Simpel, maar met de smaak van buitenlucht en gemak.
En ik — ooit een echt luxe paardje. Zo’n type met een all-inclusive bandje om haar arm en hakken in de koffer voor het diner. Vliegen was heel gewoon, en het buitenland altijd dichtbij. Nu staan de provincies in het noorden van het land bovenaan mijn wensenlijst. We wisselen dagen thuis af met dagen op verschillende natuurcampings. Soms zo natuurlijk dat een humustoilet en een tuinslang de enige luxe zijn. En gek genoeg voelt dat rijker dan ooit.
Tegen de avond, als de lucht goud wordt en de geur van houtskool ergens overwaait, schuiven we onze stoelen naar achteren. En als het kan, op een stille privéplek, knappert daar het hout van de Solostove. De fles whiskey komt op tafel, de gitaar uit zijn hoes. Ik word toegezongen. Zachtjes, maar onhoorbaar, zing ik mee. Niets mag hem doen vermoeden dat ik ook wil of kan zingen. Die naaktheid is dan toch een brug te ver.
Misschien is dat wel de echte naaktheid van kamperen: niet het ontbreken van muren, spiegels of make-up, maar het durven laten vallen van de pantserlaag die je thuis elke dag draagt. De laag van moeten, van presteren, van altijd maar ‘aan’ staan. Hier, naast onze gele bus, wordt die laag bijna ongemerkt afgepeld. We blijven over zoals we zijn — slaperig, rommelig, zonder masker. En misschien is dat de grootste rijkdom: het leven durven nemen zoals het komt — zonder opsmuk, zonder haast, en zonder iets anders te willen dan er simpelweg te zijn
Karin Scholte de Jonge .