Onderweg naar rust
Vakantie.
Het blijft toch een raar gegeven. Een heel jaar werk je je een slag in de rondte om je vervolgens over te mogen geven aan iets dat ‘ontspanning’ heet. Gezelligheid, leuke dingen doen, uitslapen, niets hoeven, alles mag.
Het was een heftig jaar. Veel veranderingen op het werk, en ook privé lag er flink wat op mijn bordje. Het lijkt dan alsof je toewerkt naar de vakantie als een soort einddoel. Als ik die finish maar zonder kleerscheuren haal, dan ga ik daarna uitrusten. Dan komt het genieten.
Maar eenmaal aangekomen blijkt de werkelijkheid toch weerbarstiger.
Er wordt niet uitgeslapen. Mijn hoofd is niet zomaar leeg, ook al staat mijn agenda dat wél toe. Het is, zo lijkt het, juist nu tijd om emoties de vrije loop te laten. Om degene die je liefhebt eens flink uit te dagen. Om te huilen, om je heen te slaan — en plotseling het gevoel te hebben dat je je ernstig zorgen moet maken over alles en nog wat. In plaats van gewoon te relaxen en de boel de boel te laten.
Twee weken kost het me.
Langzaam maar zeker kom ik in een andere fase. Binnen de vrijheid van niets moeten, breng ik voor mezelf weer wat structuur aan. Ik blijf wat langer in bed liggen. Ik kan gewoon op de bank een serie bingen, zonder schuldgevoel. En ik word rustiger, gezelliger.
De mensen om me heen zijn geen sta-in-de-wegs meer, maar mensen die ik weer beter kan verdragen.
Ik word weer een wat leuker mens.
Het concept vakantie leer ik me steeds meer eigen te maken. Zeker als we met ons camperbusje op weg gaan. De keuzes die we maken liggen in het verlengde van wat past mag mee, wat niet past blijft thuis. Geen weekendboodschappen, maar slechts een kleine hap voor de avond en wat voor het ontbijt.
De bestemming is geen einddoel, maar slechts een tussenstop. De ruimte is beperkt, het leven eenvoudiger.
De hele dag in elkaars gezelschap — zeker bij slecht weer — vraagt dat je elke ergernis of ingesleten gewoonte even laat voor wat het is, in ruil voor de gezelligheid. Je tijd doorbrengen met zijn. Buiten zijn. Of zo nodig: binnen zijn.
Een beetje rommelen, wat fietsen, een terrasje pakken, lezen, schrijven — en dat is het. Voor de bus zitten en luisteren naar de gesprekken van anderen, ze zelf voeren, of gewoon luisteren naar het geritsel van bladeren en de wind.
En met wat mazzel: de zon op je gezicht.
De warmte tot in je botten voelen.
Eigenlijk weet ik het wel. Elk jaar opnieuw. Maar toch overvalt het me.
Soms ben ik zelfs bang dat ik er niet meer uitkom. Al ruim 35 jaar, en het went blijkbaar nooit. Zelfs het goede voornemen om het volgend jaar anders te doen, of om er niet zo van te schrikken — het lukt me gewoon niet.
Ik moet accepteren dat mijn vakantie geen vijf weken duurt, maar slechts drie.
Ik ben, van de vijf weken, maar drie weken een leuke partner, een prettige moeder, een fijne vriendin.
Dat is wie ik ben. Minstens zo vervelend voor de ander als voor mezelf.
Het is wat het is.
En we zijn onderweg.
Karin Scholte de Jonge