De noodzaak van je vrij voelen.
Vanaf het terras luister ik naar oma, opa en twee kleinkinderen. Ze zijn vier en zeven jaar en hebben een schildersdoek gekregen. Een leeg wit doek. Verf, kwasten en alle mogelijkheden van de wereld.
“Pak eerst een grijs potlood, dan kun je het niet fout doen, want dan mag je gummen.”
Lief bedoeld natuurlijk. We willen helpen. Voorkomen dat iets mislukt. Een beetje richting geven.
“Ik maak een walvis!”
“Welke kleur wil je?”
“Roze en geel.”
“Nee, dat moet zwart-wit.”
Tussen ons staat een schutting. Ik kan haar niet zien. Ik zie dus geen beteuterd gezicht. Maar ik voel het. Bij haar en heel even ook bij mezelf.
Even later ontstaat er een onderwaterwereld. Of eigenlijk: die was er al. Zij had hem al bedacht voordat de eerste verf het doek raakte. In haar hoofd zwommen waarschijnlijk al kleuren, verhalen en vissen rond.
Maar gaandeweg wordt het plan verder ingevuld.
Opa zegt: “ Er moet een haai, een inktvis, een kwal en een walvis komen.”
De kleuter haakt ondertussen aan op haar eigen wereld.
“Die kwal… weet je nog? Toen ik gebeten werd door een kwal…”
En daar gebeurt iets. Daar zit misschien wel de kern van creëren. Niet in de juiste vis op de juiste plek. Niet in een vooraf bedacht plaatje. Maar in herinneringen, ervaringen, fantasie en onverwachte zijpaden.
“Ik vind het moeilijk om te maken,” hoor ik later.
En ik begrijp haar.
Want een wit doek kan ingewikkeld worden als er al een plan ligt voordat jij bent begonnen. Of misschien nog ingewikkelder: als jouw plan er al is, maar langzaam wordt ingevuld door anderen.
Als er ideeën komen voordat jouw idee ruimte krijgt. Als materialen iets worden waarmee je iets móét maken in plaats van iets waarmee je mag ontdekken.
Ik denk aan kinderen. Maar ook aan onszelf.
Hoe jong leren we al eerst voorzichtig te zijn? Eerst schetsen. Eerst binnen de lijntjes kleuren. Eerst zorgen dat het klopt.
Terwijl kinderen van nature anders beginnen. Zij starten niet met regels maar met nieuwsgierigheid. Niet met zekerheid maar met proberen. Niet met hoe hoort het? maar met wat gebeurt er als…?
Misschien hebben kinderen niet nog meer stappenplannen nodig. Niet nog meer voorbeelden. Niet nog meer plaatjes van hoe het hoort.
Misschien moeten materialen juist uitnodigen. Stil zeggen: kom maar, probeer maar, maak maar iets wat nog niet bestaat.
Niets hoeven.
Of juist alles mogen.
En misschien wel geen vissen zoals wij ze bedacht hadden. Maar vissen zoals zij ze wilde. Met teveel ogen, poten, tanden, vleugels of kleuren die nergens bestaan behalve in haar hoofd.
Kunst misschien.
Haar kunst.
Met een kleine en een grote K.
Want vrij voelen begint misschien precies daar: bij een leeg wit doek waarop nog alles mogelijk is.
Zolang wij niet te snel hun potlood vasthouden.
Karin Scholte de Jonge