De wijsheid van een losloopveld
Sinds een aantal maanden loop ik iedere ochtend als ik vrij ben, met mijn inmiddels elf maanden oude Labradoodle Bram, op het losloopveld in Koedijk.
Eigenlijk heb ik daar zelf niet eens zoveel over te zeggen. Zodra hij merkt dat het bijna tijd is, begint het zachte maar vasthoudende gezeur. Net zolang totdat ik toegeef en de riem pak.
Rond half negen verzamelt zich daar een bont gezelschap van honden en baasjes. Een stuk of vijftien honden, tien mensen misschien. Groot, klein, rashond of vuilnisbakje — alles loopt door elkaar alsof verschillen er niet toe doen.
’ De roedel’ noemen ze zichzelf lachend.
De mensen kennen elkaar meestal bij naam. Ik vooral de honden. En eerlijk gezegd voelt dat ook logischer. Bram wordt iedere ochtend opnieuw ontvangen alsof hij een oude vriend is die jaren weg is geweest. Dat geldt eigenlijk voor elke hond die zich aansluit. Zonder oordeel, zonder reserves, zonder eerst de kat uit de boom te kijken. Gewoon direct onderdeel van het geheel.
Ondertussen doen de honden waar honden goed in zijn. Ze hangen in elkaars oren, ruiken aan alles wat los en vast zit, rennen door het hoge gras, verdwijnen in de bosjes en komen weer terug alsof ze groot nieuws hebben ontdekt. Af en toe wat hormonale verwarring of een enthousiaste poging tot bestijgen, maar meestal lijkt het meer sociale opwinding dan romantiek.
En wij mensen slenteren erachteraan.
Met onze handen in de zakken rommelend aan beloningssnoepjes, die hier eigenlijk volledig overbodig zijn, of op de rug rustig rondkijkend en genietend van hetgeen zich rondom hen afspeelt.
We praten over het weer meestal. Over werk soms. Over onze ‘kinderen’, vaak viervoetig, soms ook menselijk, maar dan pas als de band wat hechter wordt. Geen modieus uitgedoste mensen, maar gehuld in een regenjas, op oude schoenen en een broek aan die smerig mag worden. Heb je geen zin in een praatje, dan loop je gewoon wat sneller vooruit of juist een stukje achter de groep aan. Niemand die daar iets van vindt. Ook dat hoort erbij.
De honden regelen ondertussen hun eigen samenleving. Ze voeden elkaar op, delen een tennisbal en maken zonder woorden duidelijk waar de grens ligt. Geen zin vandaag? Dan volgt een snauw, een blaf of een korte uithaal met een bek vol tanden. Duidelijk, direct en daarna meestal weer over.
Er zijn ook onuitgesproken regels.
Poep op het pad ruim je op. In de bosjes of het hoge gras kijken we soms iets makkelijker weg. Niemand heeft het ooit opgeschreven, er hangt geen protocolbord en er is geen voorzitter van de roedel.
Het is gewoon een uur samen oplopen.
Mensen en honden door elkaar.
Een klein dagelijks stukje vrijheid waarin niemand iets hoeft te bewijzen behalve misschien dat je af en toe gewoon kunt zijn.
Wat een fijne wereld eigenlijk.
Een kleine hechte gemeenschap waarin iedereen anders mag zijn. Met eigenaardigheden, gebruiksaanwijzingen en rare trekjes — niet alleen de honden, ook hun baasjes. En toch komt iedereen hier graag.
“We hebben de rest van de dag geen kind meer aan ze,” wordt er lachend gezegd. Alsof dit dagelijkse uur een investering is die zichzelf direct terugverdient. Zij hun energie kwijt, wij ons hoofd leger. Daarna kan iedereen weer verder met de dag.
Misschien is dat precies waarom het zo prettig voelt: het heeft geen groter doel dan gewoon samen zijn. Geen agenda, geen prestatie, geen verwachtingen. Alleen beweging, buitenlucht, ontmoeting en een roedel die zichzelf telkens opnieuw organiseert.
Wat een verschil eigenlijk met de manieren waarop wij mensen vaak ontspanning zoeken.
Wij delen onszelf in per club, stad, leeftijd, opleiding, overtuiging, geloof of sociale kring. En voor we het weten zitten er ook oordelen, meningen en irritaties tussen. Alsof volwassenen verleerd zijn om zonder voorwaarden onderdeel van een groep te zijn.
Daar op dat veld lijkt het eenvoudiger.
Wie je bent doet er minder toe dan of je mee wilt lopen.
Misschien zouden wij mensen soms wat vaker hond moeten durven zijn.
Een beetje minder ingewikkeld.
Wat minder oordeel.
Wat meer snuffelen, meelopen en elkaar vanzelfsprekend welkom heten in de roedel van het leven.
Karin Scholte de Jonge