Ik geloof nergens in – behalve misschien hier
Een plek van stilte
Ik heb niet zoveel met geloof. En zeker niet met de bijbehorende rituelen. Toch is dit een plek waar ik graag ben.
Hier vlij ik me zachtjes neer op de kerkbanken, snuif de bedompte geur van wierook op en voel de hardheid van het hout onder me. Hier ben ik stil. En voel ik rust. Rust, omdat er niet wordt gesproken. Rust, omdat er geen afleiding is. Geen geluid. Nauwelijks mensen. En ook rust in mijzelf.
We komen hier regelmatig. Wat ooit begon als een uitje – ik wilde mijn nieuwe lief iets laten zien van de omgeving waarin ik ben opgegroeid – is uitgegroeid tot een gedeeld gevoel. Sindsdien is het ook zijn omgeving geworden.
Zoals vandaag. Hij moest lopen, oefenen. We zoeken telkens een andere plek, om het vol te houden en niet verveeld te raken. Met Maria ‘hijgend’ in zijn nek moet dat lukken.
Voor mij betekent het: wel mee, maar niet kijken. Me er niet tegenaan bemoeien. Waarom ik er steeds bij ben? Geen idee. Maar alles wat bijdraagt aan herstel is meegenomen.
Ik neem plaats op een bankje en probeer mezelf in een soort meditatiestand te krijgen. In plaats van gedachten los te laten, nemen de gebeurtenissen van het afgelopen jaar bezit van me.
“Alles mag er zijn, alles is oké en je hoeft er verder niets mee,” hoor ik mezelf zeggen.
De deur van de kapel staat open. Een trein dendert voorbij. Brommers brullen. Een vliegtuig zoemt ergens boven. Storend, op een plek van stilte.
“Laat het gaan. Concentreer je op je ademhaling,” fluister ik.
Na het kapelbezoek wandelen we nog even door de tuin. Opeens realiseer ik me: dit was ook de eerste plek die we bezochten na zijn operatie. Zou het dan toch een plek van troost zijn? Een omgeving waar je – zelfs zonder geloof – dicht bij iets komt wat groter is dan jijzelf.
Een wit vlindertje, zo’n dertien-in-een-dozijn, wipt op de bloemen van de Buddleja.
“Als ik hier ben, zie ik altijd zo’n vlinder,” zeg ik. “Zal vast een teken zijn. Mijn overleden moeder zeker.”
Sarcastisch, maar ergens in mij glimlach ik zacht. “Ik zag ook al veren op de grond.” antwoordt hij lachend.
Jaloers als ik soms kan zijn op mensen die troost en houvast vinden in hun geloof, is dit voor mij voldoende. Ik kan dicht bij mezelf blijven met al mijn sarcasme en realiteitszin, maar geef mezelf af en toe toestemming om een uitstapje te maken. Een uitstapje naar dat wat ik soms zo mis: de rust, de antwoorden op zoveel vragen, de warme hogere macht die me de weg wijst en me op de rit helpt als ik er even doorheen zit.
Fijn.
Karin Scholte de Jonge